Feodaliteit en het hofsysteem

De Karolingische samenleving geldt als de bakermat van de feodaliteit en het vazalsysteem. Dit begon in de achtste eeuw, toen Karolingische koningen en hofmeiers op grote schaal land uitleenden aan lokale adelheren. In ruil hiervoor legden deze edelen, leenmannen genaamd, een eed van trouw af aan hun koning, de leenheer. Daarnaast waren zij voortaan verplicht om hem te helpen in het geval van een oorlog.

Op lokaal gebied waren deze leenmannen de directe vertegenwoordigers van het koninklijke gezag. Zij hielden zich niet alleen bezig met de uitbating van het land, maar waren ook verantwoordelijk voor de lokale rechtspraak en de handhaving van de orde. Met name in nieuw veroverde gebieden was een dergelijke vorm van lokaal bestuur van groot belang om opstanden te voorkomen. Een soortgelijk systeem ontstond in deze periode ook in Engeland, waar de leenmannen ‘thegns’ heetten.

Het leengoed van iedere leenman werd vaak onderverdeeld in twee delen, de grond van de heer (vroonland) en de grond van de boeren. De boeren kregen allemaal een klein gedeelte van de grond van de heer, en in ruil stonden zij een deel van hun eigen opbrengsten (vaak 10%) af. Daarnaast verrichten zij onbetaalde herendiensten, waaronder het bewerken van het vroonland en het verzorgen van het vee van de heer. Dit hofsysteem had grote voordelen ten opzichte van de slavernij, aangezien de boeren in tegenstelling tot de slaven wel een economische prikkel hadden om hard te werken.