Kleding van de vrouw

In het begin van de Romeinse tijd droeg de vrouw een eenvoudige vierkante schoudermantel dat over schouders en hoofd werd gedrapeerd, dit noemde men het ricinium. Later droeg de vrouw een palla oftewel een brede rechthoekige sjaal die tot aan de knieen kwam. Deze sjaal werd om schouder en hoofd bevestigd met een fibula.

De stola werd alleen gedragen door de matrona, oorspronkelijk vestis longa (= lang kleed) genoemd, was een los vallende tunica met kimono-achtige armen, die tot aan de voeten reikte, die in de taille en vaak ook onder de borsten door een gordel werd aangespannen en waarover de palla als een soort vrouwenmantel werd gedragen. Omdat dit uit twee brede, slechts door de gordel en koorden aan de schouders samengehouden lappen stof bestond, was het vrij lastig te dragen en vereiste het een waardige lichaamshouding en langzame bewegingen.

Onder de stola droeg de Romeinse vrouw een tunica. Vrijgelatene, slavinnen en meisjes droegen enkel dit kledingstuk, de tunica is bij vrouwen langer dan bij mannen.

Op reis en bij slecht weer droegen de vrouwen schoudermantels en mantels, al dan niet met kap.

De togawerd van tijd tot tijd ook door vrouwen gedragen, maar gold als onderscheidingsteken van hoertjes en veroordeelde echtbreeksters (toga pulla).

Wat men nu ondergoed noemt kennen de Romeinen ook.  Zo maakten de busteband (fascia of strophium), een band van zacht leer zonder dragers, en het indusium of intusium, een hemdachtige mouwloze hanger, een belangrijk onderdeel van de kleding uit. Naar eigen inzicht droegen sommige vrouwen soms ook nog een ondertunica (intusiatus tunica). Bij het bezoek aan de thermen droeg men een soort bikini.

 

Het schoeisel bestond uit hetzelfde materiaal en had dezelfde vorm als die van de mannen (calceus), maar de kleuren waren levendiger en helderder. De populairste kleuren waren alle schakeringen tussen rood en blauw.