Nuptiae of Huwelijksfeest

De Romeinse bruiloftsplechtigheden of nuptiae hadden hun eigenaardigheden. Zo hechtte men veel belang dat er een gelukkige en voor de bruiloft gunstige dag werd gekozen. Voor ongelukkig hield men de maand mei, de eerste helft van juni, en verder alle CalendaeIdus en Nonae, alsook de dies nefasti, de tijd van de parentalia, van de mundus patens en andere feesten, waarop weduwen evenwel niet behoefden te letten. Als bijzonder gunstig werd echter de tweede helft van juni gehouden.

De formaliteiten en gebruiken verschilden al naar dat men voornemens was een streng huwelijk (cum manu) te sluiten, waardoor de vrouw in de manus van de man kwam en mater familiaswerd, of een vrij huwelijk (sine manu), waarbij de vrouw enkel uxor werd en in de patria potestas of sui iuris bleef. Voor deze laatste huwelijken werden geen bijzondere plechtigheden vereist, er moest enkel de deductio in domum mariti plaatsvinden. De andere wijze van huwelijksvoltrekking ging daarentegen met een groot aantal symbolische gebruiken gepaard.

Op de dag van de bruiloft legde de bruid de toga praetexta af, en wijdde deze aan de Fortuna virginalis. Ze droeg een uit schapenwol geknoopte gordel, en over het gelaat een sluier van helrode of citroengele kleur, wat de feestkleur schijnt te zijn geweest.

De overgang naar het huis van de bruidegom (deductio in domum mariti) had daarop plaats, deels in de vorm van een schaking (in een verwijzing naar de Sabijnse maagdenroof), deels in een feestelijke optocht (pompa nuptialis), waarop de uitdrukkingen uxorem ducere, verkort voor uxorem domum ducere van de man, en viro nubere van de vrouw doelen.

Hoe talrijker des te schitterender was de optocht, die meestal in de avond gehouden niet alleen uit wederzijdse kennissen en vrienden, maar ook uit nieuwsgierigen van het volk bestond. Onder fakkellicht (hierdoor werd fax het symbool van het huwelijk) en fluitspel trok de bruid met spinnewiel (symbool voor nijverheid en echtelijke trouw, vgl. Penelope) en spinrokken in de hand naar het huis van de bruidegom. Zij werd vergezeld door twee knapen, waarvan de ouders nog in leven waren – patrimi et matrimi – en een offerknaap die de spina alba vasthield. De jonge vrouw legde in de straat, waar zij zou wonen, een geldstuk op het sacellum van de Lar Compitalis.

Het huis dat haar ontving was feestelijk bekranst en versierd. Als zinnebeeld van haar kuisheid omwond zij de deurposten met wollen banden, en om betoveringen te voorkomen, bestreek zij ze met varkensvet. Men – niet haar echtgenoot – tilde haar daarop over de drempel van het huis, waarna ze op een uitgespreide schapenvacht ging staan. Daarbij weerklonk de kreet: Talasio! Ze werd – als het om een huwelijk door coëmptio ging – gevraagd wie zij was. Zij zou dan vervolgens antwoorden met de woorden: “Ubi tu Gaius, ibi ego Gaia” (“Als jij Gaius bent, dan (ben) ik Gaia”). Daarop ontving zij vuur en water (aquae et ignis communicatio) uit handen van haar echtgenoot.

Nu volgde het door de bruidegom aangerichte feestmaal (coena nuptialis), dat gepaard ging met muziek en gezang. Vooral weergalmde onder begeleiding van de fluit het huwelijkslied (epithalamiumhymenaeus). Voor deze maaltijd veroorloofden de wetten een betrekkelijk grote pracht. Onder de voor het huis verzamelde jeugd moest de bruidegom noten strooien.

Na de maaltijd bracht een getrouwde vrouw, die Juno pronuba moest verbeelden, de jonge vrouw naar het slaapvertrek en legde haar in het met de toga bedekte bruidsbed (lecto collocare), waarop dan de man haar in het vertrek volgde. Daarbuiten zong men nog huwelijkszangen en ook pikante spotliederen.

De volgende dag gaf de bruidegom nog een maaltijd, repotia geheten. De gasten en bloedverwanten brachten het jonge paar geschenken, en de jonge vrouw verrichtte haar eerste offer in haar nieuwe huis.