Domus, Villa, Statio

 

Het Romeinse Rijk was erg groot, en om van de ene naar de andere plaats te reizen maakten de Romeinen veel gebruik van paard en wagen. De Romeinse wegen waren dan ook veelal verhard.

Natuurlijk moesten de Romeinen ook wel rusten, van reizen word je immers moe. Dit deden ze in halteplaatsen die ‘statio’ heten. In Lottum is zo een ‘statio’ gevonden met een altaar.

Opdracht

Welk woord herken je hierin dat wij nog steeds gebruiken bij het reizen?

Sommige ‘statio’s’ lagen op belangrijke verbindingswegen of plekken langs de rivier. Hier vestigden zich dan ook steeds meer mensen. Er ontstonden steden. De rijke mensen in steden woonden vaak in een groot huis, dit werd een ‘domus’ genoemd.

De rijke Romeinen op het platteland woonden in een luxe boerderij, ook wel een ‘villa’ genaamd.

Op strategische plekken bouwden de Romeinen een ‘fectio’ oftewel een wachttoren waarop de Romeinse soldaten goed om zich heen konden kijken en de vijand al van ver aan zien komen.

Opdracht

Wat zou hier buiten in het kazernekwartier de meest strategische plek zijn om een ‘fectio’ te bouwen?