De boeren ontstonden toen men er achter kwam dat de zaden die men verzamelde het jaar erop gebruikt konden worden om nieuwe planten te laten groeien. De boeren hadden vruchtbare grond nodig, daarom woonden ze vaak in de buurt van grote rivieren. Dat wil zeggen dat ze vaak op een verhoging gingen wonen, een bult in het landschap, ookwel een terp genoemd.

Het grote voordeel van een terp was dat als het water in de rivier steeg doordat er een periode van veel regen was, hun huis toch droog bleef. In het lagere gedeelte verbouwden de buren producten die ze konden eten of konden gebruiken om bijvoorbeeld kleding van te maken. Zo verbouwden ze bijvoorbeeld granen en vlas.

Ook kwamen de boeren erachter dat geiten en schapen heel erg makkelijk tam te krijgen waren en deze werden dan ook rondom hun huis gehouden. De geiten voor de melk en de schapen voor hun wol. Van de wol en het vlas spinden ze garen en weefden ze mooie stoffen om kleding van te maken.

De huizen waarin ze woonden worden langhuizen genoemd, een hele logische naam als je weet dat hun huizen maar liefst 30 meter lang en 6 meter breed waren. Ze waren gemaakt van hout en aarde. De daken waren bedekt met stro. Hierin woonden ze met hun hele familie en zelfs al het vee.