Albor is een jongen en mag voor het eerst mee op jacht met de jagers in het Maasdal nabij het huidige fort. Hij is de jongste jager van de groep en heeft moeite om de vijf andere jagers bij te houden. Zo snel glippen zij door het dichte bos. Gelukkig voor Alber stoppen ze zo nu en dan om de sporen op de grond te bestuderen. Alber let goed op als de jagers weer eens op hun hurken  over de drassige bodem buigen. De afdrukken van hertenpoten zijn hier wel erg duidelijk te zien.

‘De sporen zijn erg vers’, fluistert Gims. Hij is Albers vader en de beste spoorzoeker van de groep. ‘Het dier moet hier vlak in de buurt zijn.’

De mannen kijken elkaar aan en drukken hun vinger tegen de lippen. Dit is het teken dat ze vanaf nu doodstil moeten zijn. Ze mogen het dier niet laten schrikken.

Borzan, de leider van de groep maakt zijn vinger nat met spuug en steekt hem in de lucht. Zo kan hij voelen van welke kant de wind komt. Ze moeten er immers voor zorgen dat het hert hen niet kan ruiken, want anders slaat het op de vlucht en hebben ze vanavond bij hun kampvuur aan de Maas niets te eten.

Doodstil sluipen de jagers verder. Het gaat nu wel erg langzaam. En ieder moment kan het hert vlak voor hen opspringen uit het struikgewas. Albors hart bonst in zijn keel. Met zijn hand houdt hij de speer met de scherpe vuurstenen punt klaar voor de worp.

Daar. Wat is dat daar tussen de bomen? Beweegt daar iets? Nee? Ja! De vormen van een gewei…

Een groot hert staat roekeloos tussen de struiken. De andere jagers hebben het dier ook opgemerkt. Heel voorzichtig naderen ze hun prooi. Ze zijn nu dicht genoeg bij het hert om hun speren te werpen en wachten op een teken van Gims.

Dan klinkt er plotseling een scherpe kreet door het bos. Het hert draait verschrikt met zijn kop en in minder dan een tel springt het weg tussen de bomen. Vergeefs stormen de mannen naar voren, maar dan stoppen ze opeens verrast. Albor ziet het ook. Er staat een klein zwijntje voor hun neus. “Waarom stoppen jullie?” Schreeuwt hij. ” Een zwijntje is ook vlees.” Hij stormt naar voren om de speer zijn dodelijk werk te laten doen. Maar dan ziet hij ineens waarom de mannen stilhielden.

Een meisje met lange blonde haren stort zich op het zwijntje. Ze is ongeveer net zo oud als Albor. Doodsbang kijkt ze hem aan. Dan grist ze het zwijntje weg voor de punt van Albers speer en maakt zich uit de voeten, snel als de wind. Haar lange blonde haren wapperen achter haar aan. Aldoor krijgt een draaierig gevoel in zijn maag. Hij moet even zitten met zijn rug tegen de boom. Het meisje is al een eind weg, maar hij kan zijn ogen niet van haar afhouden. Wat is ze mooi!

De opwinding over het meisje verdringt de teleurstelling over het ontsnapte hert. Is er een andere groep jagers in de buurt?

De mannen lopen verder en even later zien ze een lichte plek aan de bosrand. De bomen zijn daar omgekapt. Van stammen, leem en riet zijn huizen gemaakt. Mannen pulken met stokken in de kale grond. Het zijn boeren! Dat zwijn was dus tam! Dan roept Borzan, de sterkste man van de groep: “Eens kijken of die boeren sterk zijn.”

De jagers lopen Albor voorbij in de richting van de huizen. Dan staan ze plotseling stil. En Albor ziet waarom. Uit de huizen komen mannen en vrouwen. De mannen hebben lange speren en grote ronde dingen voor hun lichaam. Ze zijn met velen. En ze zien er sterk uit ook.

Een grote vrouw maakt zich los uit de groep en loopt in de richting van de vijf jagers. Ze wenkt dat de mannen dichterbij moeten komen. Een grote gele hond met blinkende tanden loopt met haar mee. Ze draagt een rok die niet van leer is, maar van een materiaal dat Albor nog nooit gezien heeft. Boraan doet een paar stappen in de richting van de vrouw.

“Pas op Borzan,” sist Gims. Aldoor ziet de witte knokkels van zijn vaders hand om de speer. Maar de vrouw ziet er vriendelijk uit. Ze roept met heldere stem woorden die Albor niet verstaat. Borzan loopt verder. Hij staat nu vlak voor de vrouw. Dan slaan ze zacht hun handen tegen elkaar. Vriendschap betekent dat. De knokkels van Albers vader zijn niet wit meer. Langzaam lopen beide groepen op elkaar af.

Kijk daar is het meisje weer. Ze heeft een kommetje in haar hand. Ze komt recht op Albor af. Ze lacht hem toe. Haar gezicht is nu vlak bij het zijne. Hij kijkt recht in twee stralend blauwe ogen. Dan geeft ze hem het kommetje. Er zit wit vocht in. “Drinken,” zegt het meisje.

Aldoor begrijpt het niet, maar ze doet het voor. Aldoor neemt een slok. Het smaakt een beetje zoetig. “Melk,” zegt het meisje. Ze wijst op de dieren die gevangen zitten tussen hekken.

Aldoor kijkt om zich heen. Hij ziet hoe zijn vader en de andere mannen de boeren begroeten en ook drinken krijgen. Dan geeft de vrouw Borzan een ketting van steen. “Voor geluk en vriendschap,” zegt ze. Boraan lijkt het te begrijpen. Hij haalt het leren zakje waarin hij geneeskrachtige kruiden bewaart van zijn riem en geeft het aan de vrouw. “Voor vriendschap en genezing,” zegt hij in zijn eigen taal.

Dan draait hij zich om en wenkt zijn mannen. Aldoor kijkt nog eenmaal in de prachtige blauwe ogen zo vlak voor hem. Hier zou hij altijd willen blijven. Dan voelt hij even twee zachte lippen op zijn wang. Daar schrikt hij zo van dat hij zich meteen omdraait. Met een rood hoofd holt hij het bos in, weg van Amar.

 

 

 

 

 

Oorspronkelijk verhaal afkomstig van Bij de Tijd groep 8 van Malmberg, deze is enigszins aangepast zodat deze bij ons fort past en geschikt is voor alle leeftijden van het basisonderwijs…