Archeologie

Edwin Rutten: De drie archeologen

Een archeoloog, mijn kind, dat is
een graver naar geschiedenis,
de wel eens lelijk door kan draven
als hij een slotgracht op wil graven.

Drie archeologen belden aan
bij een villa op de Apollolaan
en ze zeiden met blije gezichten:
‘Mevrouw, hier heeft, zo nemen wij aan,
het kasteel van Gijsbreght van Aemstel gestaan.
Mogen wij hier wat graafwerk verrichten?’

‘Nee!’ zei de mevrouw, ‘dat vind ik niet goed.’
En ze keek heel boos van onder haar hoed,
maar toen moest ze gelukkig naar vrinden.
En de archeologen kregen weer moed
en ze gingen aan het graven met naarstige spoed
om het kasteel van heer Gijsbreght te vinden.

Zo groeven ze voor de wetenschap
van de erker tot onder de keldertrap
en vandaar nog een beetje naar onderen,
totdat die villa (twee onder één kap)
met bons na bons en met klap na klap
helemaal in elkaar ging donderen.

Ze schreven een briefje: ‘Mevrouw, het is sterk,
we vonden geen slotgracht, geen zuil en geen zerk
en uw huis is nu zelf een ruïne.
Excuses, mevrouw, maar dat hoort bij ons werk.
En stond Gijsbreght zijn slot niet in Ouderkerk?
Afijn, me zulle wel ziene.’

En zo verdwenen een voor een
ook Ouderkerk en Amstelveen.